Met behulp van de flitsbelichtingsvergrendeling heeft de fotograaf net genoeg licht toegevoegd om de details op de van achteren verlichte voorgrond te benadrukken zonder de scène te overbelichten.
Voor het verkrijgen van de juiste belichting voor flitsfotografie waren vroeger tijdrovende berekeningen nodig aan de hand van richtgetallen, afstand van flitser naar onderwerp en diafragma's. Gelukkig hoeft dat nu allemaal niet meer dankzij flitsmetingen met E-TTL en E-TTL II (Evaluative Through-The-Lens). Flitsfotografie met een Speedlite is nu net zo eenvoudig als het indrukken van een knop. Maar soms krijg je net wat betere resultaten door de flitsmeting een handje te helpen.
Het meervlaksmeetsysteem van de Canon EOS-camera's, dat wordt gebruikt om het omgevingslicht te meten, wordt gedeeld met het E-TTL-flitssysteem. Voorafgaand aan de belichting wordt een voorflits met lage intensiteit afgevuurd en het licht van deze flits wordt gemeten. De duur van de hoofdflits wordt vervolgens bepaald om een juiste belichting te geven in combinatie met het geselecteerde diafragma.
Wanneer je bij daglicht fotografeert, is het soms nodig om de belichting aan te passen als het onderwerp erg licht of donker is. Dit komt doordat bij de kalibratie van de camera is uitgegaan van een 'gemiddelde' scène. Je kunt een meting uitvoeren op een 'gemiddeld' gebied van de scène en de belichtingsvergrendelingsfunctie gebruiken om deze meting vast te houden voor de hoofdscène, of je gebruikt de belichtingscompensatiefunctie van de camera.
Omdat E-TTL- en E-TTL II-flitsers gebruikmaken van hetzelfde meetsysteem, kunnen de metingen van de flitsmeter ook worden verstoord door lichte of donkere onderwerpen. In dat geval wordt de belichting aangepast met de functie voor flitsbelichtingsvergrendeling (FEL) of flitsbelichtingscompensatie (FEC).